Auteursarchief: Ton

Alex Webb rijgt beelden aaneen met bijzondere stijl

In The Suffering of Light wordt het werk van Alex Webb van de afgelopen dertig jaar gepresenteerd. Een periode waarin hij veel en kleurrijk fotografeerde in het Caraïbisch gebied, later ook in andere delen van de wereld (met vergelijkbaar licht).

(Klik hier voor wat foto’s van Alex Webb).

Bij het herhaald doorbladeren van het boek valt mij op dat sommige personages onscherp zijn waar je ze misschien wel scherp wilt hebben en dat delen van foto’s vaak dichtlopen waar je misschien doortekening wilt. Eerste conclusie: Webb worstelt ook – nog steeds – met hard licht en onoverbrugbare contrasten. En wat die onscherpte betreft: hij kiest voor scherptediepte in plaats van snelle sluitertijden. Hij wil de hele omgeving laten zien.

Iets anders wat opvalt: er is heel veel te zien in zijn foto’s, en als je langer kijkt zie je steeds meer. Mensen, delen van lichamen, nog iemand aan de rand van het beeld, of een persoon door een raam gezien, of weerspiegeld. Zijn beelden zijn vol mensen, die trouwens niet altijd een band met elkaar lijken te hebben. Daardoor krijg je de indruk dat meerdere werelden in één beeld gevangen worden.

Webb is meesterlijk in het creëren van composities met behulp van de gebouwde omgeving: wanden, deuren, raamopeningen: hij gebruikt het om zijn beelden in vlakken in te delen. Kleur speelt een essentiële rol: vaak fel, soms pastelachtig, altijd sfeerbepalend.
Het wordt mij uit zijn beelden niet duidelijk of Webb een regisseur is of een oplettende voorbijganger. Misschien allebei wel. Bij sommige beelden moet het in ieder geval duidelijk geweest voor de gefotografeerden dat ze op de foto kwamen. Maar of Webb echt aanwijzingen heeft gegeven weet ik niet.

Blijf je langer kijken naar de zwarte silhouetten en de dichtgelopen beeldpartijen dan gaan ze de ene foto met de andere verbinden. Het silhouet wordt een stijlmiddel om een doorlopend verhaal te vertellen. Haïti hoort bij de Dominicaanse republiek, hoort bij Florida, hoort bij Istanboel. Dan wordt het de wereld gezien door Alex Webb, een persoonlijke interpretatie van een complexe wereld, waarin veel verhalen door elkaar heen spelen. Zoals in de echte wereld die ook niet simpel is.
Dat van een stijlmiddel geldt ook voor de dichtgelopen partijen: het zijn donkere vlakken die contrasteren met de harde kleuren in zijn foto’s, en het zijn ook terugkerende beeldelementen. Daarmee worden foto’s herkenbaar als Alex Webb beelden. Wonderlijk hoe je een eigenschap die je eerst als tekortkoming ziet gaat waarderen als belangrijk deel van het handschrift.

Mooi boek, een van de mooiste die ik de afgelopen tijd gezien heb!

Slow action photography

Vorig weekend ving ik twee signalen op van verandering in reportagefotografie die misschien duiden op een trend. Ik kreeg een tweet met een bijdrage over oorlogsfotograaf Tim Hetherington’s laatste foto’s (Hetherington overleed eerder dit jaar in Libië). In hetzelfde weekend verscheen een interview in de Volkskrant met fotojournaliste Rena Effendi die de ongeregeldheden in Caïro vastlegt. 
  
Beiden werk(t)en in oorlogsgebieden en gebruik(t)en middenformaat camera’s met negatieffilm. Dat is een opmerkelijke keuze, omdat de oorlogsfotografie in de vorige eeuw juist een enorme ‘boost’  kreeg door gebruik van kleinbeeldcamera’s. Verslaggevers werden beweeglijk en konden met de troepen mee, sommigen zelfs in de frontlinie. Robert Capa (met het credo “If your pictures aren’t good enough, you’re not close enough”) is daarvan een bekende exponent.
  
 
De keuze van zowel Hetherington als Effendi voor middenformaat neigt naar kunstfotografie, naar onthaasten, naar afstand nemen van de hectiek. Het werpt bij mij de vraag op of je de adrenalinerijke oorlogssituaties wel goed kunt verbeelden met een statische benadering. Kun je de beleving van frontsoldaten zo wel weergeven? Of willen deze fotografen een ander verhaal vertellen, en lukt dat dan? 
  
 
Laat ik eerst iets van de overwegingen van beide fotografen weergeven. Een stukje uit het interview met Rena Effendi in de Volkskrant: “Ik hou er gewoon van foto’s te maken en daarmee een verhaal in elkaar te weven. Het is heerlijk om te doen. Misschien kan ik mensen informeren over plekken die ze niet kennen: kleine verhalen uit kleine, soms absurde landen. Het is net als schilderen. Ik wil de schoonheid schilderen van mensen in de misère. 
Wij fotografen hebben een vreemde kijk op schoonheid. De verhalen van Dickens zijn ook keihard: ze gaan over armoede en de goot maar tegelijk zijn ze mooi”. 
Ze reist en fotografeert met twee bejaarde camera’s: de Mamiya 6 die ze nu meedraagt door de straten van Caïro en een klassieke tweeogige Rolleiflex. Er kunnen filmrolletjes in met 12 opnamen. Met de snelheid van het digitale weet ze zich geen raad. “Ik ben gefascineerd door die Rolleiflex. Hij is van 1973, ouder dan ik. Hij laat me heel dicht bij mijn onderwerp komen. Omdat ik er van bovenaf in moet kijken lijkt het of ik kniel als ik fotografeer. Alsof ik aan het bidden ben. Dat helpt me: ik ben minder intimiderend voor de mensen die ik portretteer”.
 
 
En dit zegt columnist James Brabazon van het Engelse dagblad The Guardian over oorlogsfotograaf Tim Hetherington:
“Making pictures like that was the essence of Hetherington: in Libya he placed himself at the centre of the world’s biggest news story, and chose to shoot photographs in such a way that they had no immediate news value. By separating himself from the more reactive work of his colleagues, he freed himself, and us, so that we might not only look, but see. 
In Libya, Hetherington was still exploring the ideas and imagery of young men at war. The bright, flash-lit portraits of fighters are part of his evolving attempt to understand how and what the rebels thought of themselves – but it is hard for us to make sense of these images in the way that Hetherington would have. What he left behind are his trademark signposts to the visual landscape of war – blast-twisted buildings, bloated corpses, the dash for cover – but what we cannot, ever, see is the ultimate horizon beyond these frames that Hetherington saw, and was working towards”.
  
 
Opvallend is dat beiden een afstand scheppende techniek (of een actie onderbrekende techniek) gebruiken om dichter bij hun verhaal te komen. Een verhaal dat meer lijkt te gaan over mensen en mens zijn dan over een nieuwswaardig conflict.   
Ik las afgelopen maand het boek Matterhorn van Karl Marlantes, een meeslepend boek waarin een peloton Amerikaanse soldaten in Viëtnam op de huid gevolgd wordt. Ik kreeg een huiveringwekkend inzicht in de belevenissen van deze militairen. Dat deed mij sterk denken aan de korte maar indrukwekkende video van Hetherington die in 2009 bij Noorderlicht werd vertoond, waarin te zien was hoe een Amerikaanse soldaat een aanval van shell shock kreeg. Hetherington liet je een actie werkelijk meebeleven door van heel dichtbij en heel realistisch te filmen. 
  
 
In de statische fotografie waar Brabazon het over heeft vind je die nabijheid van actie en onmiddellijke gevolg niet terug. Ik vraag me af welke aanpak de situatie het beste weer zou geven. Waarschijnlijk is het terug te voeren op de intentie van de fotograaf: wil je journalistiek of etnografie bedrijven. Wil je gepubliceerd worden in nieuwsmedia of in galeries.   
Beide aanpakken zijn interessant. De serie van Effendi over Azerbeidzjanen die leven langs een lekkende oliepijplijn (geëxposeerd bij Breda Photo) is indrukwekkend omdat zij empathie weet te wekken met de mensen die zij portretteert. Maar actiefotografie is ook fascinerend omdat het toont hoe mensen in extreme omstandigheden functioneren. Kies je voor haar beschouwende benadering of voor “you’re not close enough” Robert Capa, Eugene Smith en James Nachtwey?  
  
 
Misschien komen we er nooit achter omdat, zoals Brabazon stelt, wij de intenties en het eindresultaat van Hetherington’s nieuwe aanpak nooit zullen kennen. Ga ik af op de foto’s die ik ken van oorlogssituaties dan kies ik toch voor Capa, Smith en Nachtwey. Juist omdat zij direct zijn en geen boodschap verstoppen in een afstandelijk ogend beeld.
 
 
Interview met Rena Effendi (alleen voor Volkskrantabonnees). 
James Brabazon over Tim Hetherington’s laatste foto’s.

De wondere wereld van Ruud van Empel

Op de een na laatste dag bezocht ik de overzichtstentoonstelling van Ruud van Empel in het Groninger Museum. Ik was verbluft. Overweldigend werk dat je pakt door helderheid, frisheid, levendige kleur maar vooral door een bijzondere verbeelding van een denkbeeldige werkelijkheid.


Ruud van Empel suggereert realisme en gaat ook uit van een realistisch medium, maar maakt volkomen bedachte kunstmatige beelden. “Photoworks 1995-2010” heet de tentoonstelling en daarmee wordt hij gepresenteerd als fotograaf, maar zijn werkwijze is die van een schilder die geen verf maar pixels als grondstof gebruikt. Fotografen kiezen of bedenken een decor en plaatsen het onderwerp daarin, Van Empel bouwt zijn decor laag voor laag direct op het canvas van zijn beeldbewerkingsprogramma.

Ruud van Empel begon zijn carriere met collages maar de werken in “Photoworks 1995-2010” zijn geen collages meer. De onderdelen die hij gebruikt zijn in het werk niet meer herkenbaar. Hij creëert bijvoorbeeld gezichten uit tientallen onderdelen die hij haalt uit meerdere door hem gefotografeerde gezichten.
Van Empel beheerst de fotobewerking tot in de puntjes, zo goed dat het vanzelfsprekend en dus irrelevant is geworden. Hij is geen Photoshopper; iedere verwijzing naar Photoshop gaat voorbij aan de kern: Van Empel is een scheppend kunstenaar die gewoonweg de technieken beheerst die hij nodig heeft.
Soms is dat fotografisch (gebruik van onscherpe objecten in de voorgrond) maar soms ook niet. Dan verandert hij verhoudingen zodat ze fotorealistisch gezien niet meer kloppen.

Zijn onderwerp is – meestal – een paradijselijke fantasiewereld, een vriendelijke variant van de tropen, waarin onschuldige kinderen figureren. Deze kinderen staan er doorgaans stijf poserend op en dat geeft een mooi contrast met de drukke achtergrond waartegen ze geplaatst zijn. Dat stijf poseren komt van officiële familiefoto’s zoals die in Van Empels jeugd werden gemaakt. Het werk waarin hij zichzelf als klein jongetje afbeeldt is er een mooi voorbeeld van.
Verwijzing naar zijn eigen jeugd zie je ook in de tableaus met alledaagse voorwerpen uit zijn ouderlijk huis. Zijn aanpak lijkt op die van fijnschilders.

Het ziet er betoverend uit en de museale presentatie van zijn vaak metersgrote werken (afgedrukt op het contrastrijke Cibachrome en achter acrylglas dat zorgt voor brille) doet recht aan zijn onderwerpen. De sprankelende uitvoering geeft het werk ook altijd een zekere vrolijkheid.

Sta je voor zo’n werk dan overrompelt het. En na een tijdje ga je de enorme detailrijkdom zien, de verrassingen die Van Empel in zijn beelden legt. Een rupsje, een kever, een schaatsenrijder; diertjes die verwijzen naar 17e eeuwse vanitas schilderijen. Die details zijn geraffineerd geplaatst en zorgen ervoor dat je lang blijft kijken. Hij stapelt verrassing op verrassing. Ruud van Empel legt in zijn werk geen boodschap, het is vooral een geïdealiseerde wondere wereld van (de) jeugd die hij laat zien.

Chi Peng in Groningen

Een paar notities die ik maakte bij de expositie van de Chinese fotograaf-kunstenaar Chi Peng in het Groninger Museum (tot 25 september 2011).

Chi Peng laat ons zien hoe modern China is. Zijn foto’s met een referentie naar oude strijder is geweldig; weet niet of dit een authentiek kostuum is. Hij refereert aan de apenkoning die voorkomt in het episch verhaal De Reis naar het Westen *).
Ook in andere foto’s verwijst hij naar bekende verhalen. Is soms misschien te voor de hand liggend en letterlijk. De enorme groep jongeren die uit het graanveld komt verwijst wel naar de titel het boek ‘Catcher in the rye’, maar niet naar de inhoud van die roman.

Fototechnisch presenteert hij grote platen, met een goede techniek en intense kleur.
Hij monteert zichzelf veelvuldig in beelden. Soms is het monteren van onscherpe figuren (zichzelf, bavianen) niet helemaal gelukkig. Maar het is geen gebrek aan techniek. Je kunt het ook zien als de penseelstreken van een schilder. In andere werken laat hij zien dat hij perfect kan monteren.
Verder doet hij geen concessie aan kwaliteit. Ook niet in de presentatie. Dit is een kunstenaar die ook het handwerk beheerst.

Bij zijn werk ga je je afvragen waar de betekenis zit. Waarom komt hij naakt rennend meerdere keren voor in zijn foto’s met de titel Sprinting Forward en wat betekenen de vliegtuigjes.
Wat ik herken is het beeld van de jongeman, die zijn weg zoekt. En het is een modern China dat hij toont, uitwisselbaar met andere Aziatische landen/steden.
Bij de graafoto’s die tegenover elkaar geplaatst zijn zie je aan de ene kant jongeren en aan de andere kant vogelverschrikkers. Die willen iets tegenhouden maar zij niet opgewassen tegen de nieuwe generatie die er aan komt. Ik zie optimisme. Ook wel onpersoonlijkheid, misschien zoeken naar persoonlijke individualiteit door toe te geven aan materialisme.
Wat was boeiend? Vooral de apenkoning en de stedelijke landschappen.
Een van de apenkoningfoto’s met de spiraalvormige flats: lijkt alsof foto van flatgebouwen gebruikt is als skin in een 3D applicatie.

*) //nl.radio86.com/chinese-cultuur/3641/de-legende-van-de-apenkoning
//nl.wikipedia.org/wiki/Sun_Wukong

Joel Sternfeld zet aan tot reflectie

Nog tot 23 oktober is in Museum Folkwang in Essen een overzichtstentoonstelling te zien van Joel Sternfeld. Een indrukwekkende expositie met 120 foto’s uit verschillende projecten van deze Amerikaanse fotograaf.

Sternfeld (1944, New York) positioneert zich met het getoonde werk tussen landgenoten als Stephen Shore en Larry Sultan. Kenmerken: werken in kleur, werken met grootformaatcamera, afdrukken in expositieformaat (groot dus) en een schijnbaar neutrale benadering van het onderwerp. Ruimhartig zijn ten opzichte van de kijker: niet strak kaderen maar juist veel laten zien en het oordeel aan de beschouwer laten.

Museum Folkwang presenteert een aantal series/projecten in chronologische volgorde. Daarbij is een scherp contrast te zien tussen het vroege werk (Happy Anniversaries, Sweety Face! uit 1970-1978) dat documentair/reportage-achtig is. Sommige foto’s verrassend, andere willekeurig.
De overgang maakt hij met American Prospects begin 80-er jaren, waar hij is overgeschakeld op een grootformaat camera. In deze serie houdt hij ineens veel afstand tot zijn onderwerp, maar de foto’s zijn wel veelzeggend.
In deze serie grappig beeld van het meloenenstalletje voor een brandend huis. Met een sublieme toepassing van de kleurterugkomwet. Een foto ook die steeds meer details onthult. Zo zag ik pas na de tweede keer dat een brandweerman bij het stalletje stond terwijl zijn collega’s aan het blussen waren.

Een andere foto toont een kolentrein op de voorgrond en een heuvellandschap met huisjes daarachter. Ook hier is weer veel te zien. Je blikt dwaalt over de foto en ineens zie je een man met hond staan. En een Amerikaanse auto achter een schuurtje, waarbij je je af gaat vragen of de eigenaar in de winter wel bij de weg kan komen. Deze foto’s vertellen veel verhalen.

Een heel andere benadering heeft Sternfeld met zijn serie On this site (1993-1996). Foto’s van plaatsen waar misdrijven hebben plaatsgevonden; de uitgebreide tekst bij de foto’s zorgt hier voor diepgang. Neem de foto van de vervallen winkel met het opschrift Young’s Gro. & Mkt. Het bijschrift vertelt je waar je naar kijkt:

In 1955 bezocht de 14-jarige Emmett Till uit Chicago zijn familie in het stadje Money. Bij het verlaten van deze winkel riep hij ‘Bye, baby’ naar eigenaresse Carolyn Bryant, om aan zijn vrienden te tonen dat hij wist hoe je blanke vrouwen moest benaderen. Drie dagen later werd hij door de man en zwager van mevrouw Bryant ontvoerd, gefolterd en vermoord. Een uitsluitend uit blanke mannen bestaande jury achtte de daders onschuldig. Hun beraadslaging duurde amper een uur.

Boeiend hoe je via zo’n quasi romantische foto ineens terechtkomt in de wereld van rassenkwesties en een discutabel rechtssysteem. On this site kent meer beelden waar de foto aanleiding is om de tekst te gaan lezen, die je in een andere wereld brengt. Geen foto als illustratie bij een verhaal, maar als ingang….

Deze benadering – een weinig uitgesproken beeld met een lange tekst – past Sternfeld ook toe bij Sweet Earth: experimental Utopia’s. Een serie foto’s van plaatsen waar ooit met veel overtuiging vrijzinnige anarchistische groepen een nieuwe samenleving begonnen. Met een beschrijving van de idealen en de mislukkingen. Allemaal boeiende verhalen, waarbij de foto weer de toegang tot het verhaal vormt.

In zijn beelden zijn mensen wel aanwezig, maar bijna nooit het hoofdonderwerp. In Strangers Passing is dat anders daar wordt de mens het belangrijkste onderdeel. Mij trof een foto van een gewone man in lichtblauwe werkkleding (A man on the banks of the Mississippi). Ik vroeg mij af waarom deze foto mij opviel. Ik denk omdat deze gemaakt is zoals 17e en 18e eeuwse schilders mensen portretteerden.

Bekend werk van Sternfeld is Walking the High Line, een serie foto’s gemaakt langs een verlaten spoorweg hartje New York. Ongelooflijk dat je in deze wereldstad een door de natuur overwoekerde spoorlijn kunt vinden. Het doet je nadenken over stadsplanning, urbanisatie, wanorde en misschien ook de kracht van de natuur. Interessant, maar ook weer heel mooi om naar te kijken. Sternfeld toont ons de achterkant van de grote stad.

Ik vroeg mij af welke series mij het meest aanspreken en ik kwam op On this site, Strangers passing, Sweet Earth en American prospects. Series die je tot nadenken aansporen en daardoor veel meer bieden dan mooie plaatjes.

De expositie in Museum Folkwang is een aanrader. Een prachtig museumgebouw ook met een indrukwekkende collective modern kunst. Eén manco: de documentaire over Sternfeld die wordt vertoond is niet te volgen. Het geluid is te zacht en er is te veel ruis vanuit de naastgelegen entrée.

Meer foto’s van Sternfeld op de website van Luhring Augustine

Aanstekelijke Wurm toch een beetje mager

GEM (Gemeentemuseum Den Haag) biedt tot half september onderdak aan de overzichtsexpositie van Erwin Wurm. De Oostenrijker presenteert zich als beeldhouwer, die voor een deel van zijn werk afhankelijk is van fotografie. Hij maakt zowel ruimtelijke objecten die in een expositie getoond kunnen worden, als zogenaamde ‘One Minute Sculptures’: vluchtige creaties die zonder fotografie niet vastgehouden kunnen worden.

Het zijn deze ‘One Minute Scultpures’ die Wurm in het fotografiedomein trekken. Wat we zien zijn onverwachte, vaak komisch werkende, situaties. Wurm laat het absurde zien. De presentatie is daarbij haast pretentieloos. Hij kiest dan wèl voor afdrukken op grote formaten maar heeft niet veel aandacht voor een perfecte fotografische uitvoering. De technische uitvoering laat wat te wensen over, soms in kleurweergave, soms in scherpte, soms in uitlichten van een witte achtergrond. Het is heel nadrukkelijk het idee dat telt. En aan ideeën geen gebrek.

De tentoonstelling in GEM werkt aanstekelijk, juist door de technische onvolkomenheden is zijn werk toegankelijk. Neem het niet te serieus, lijkt de boodschap. Wurm staat garant voor een leuk uitje, waarbij je in GEM ook nog eens een aantal van zijn ‘One Minute Sculptures’ zelf in praktijk mag brengen.

In alle publicaties wordt de tentoonstelling beschreven als ‘het eerste uitgebreide overzicht in Nederland van één van de meest belangrijke hedendaagse beeldhouwers’ maar daarin stelt GEM toch teleur. Wie Googlet op Erwin Wurm en een aantal afbeeldingen van zijn werk bekijkt ziet niet alleen een flink aantal foto’s die in Den Haag te zien zijn. Je ziet ook welk werk niet te zien is en dat is veel. Graag had ik bijvoorbeeld de geknikte vrachtwagen of de meer dan levensgrote smeltende huizen gezien. Nu was er alleen een klein model en dat was jammer. Meer ‘One Minute Sculptures’ aan de wanden had ook best gemogen. Het verzadigingspunt wordt in GEM nog lang niet bereikt. Een veelheid aan OMS zou de ideeënrijkheid en spontaniteit nog meer benadrukken.

Erg grappig is het verwerken van tricotage in zijn werk. De who-is-afraid-of-red-yello-and-blue-achtige wandbekleding met ingebreide mouw en hals zijn fantastisch. De met pullovers en vesten aangeklede dozen zijn ook nooit vertoond. Maar de naam van de expositie ‘The beauty business’ is mij dan weer een raadsel.

Meer informatie: gem

Fotofestival Naarden

Op 16 juni 2011 het Fotofestival Naarden bezocht. Het festival had geen gelukkige recensies dus ik was eerst niet van plan om te gaan. Uiteindelijk heb ik het in een kleine twee uur gezien.

Geweldig vond ik de koksportretten van Marie Cécile Thijs die zij maakt voor het Financieel Dagblad. Ik heb de serie wel drie keer bekeken. Een geweldige stofuitdrukking, alles haarscherp en tastbaar. Prachtige kleuren, in een somber palet (leverkleurig, gebroken wit, taupe) die de serie tot een sterk geheel maken; deze aanpak is goed doorgevoerd door de hele serie. Ook in de poses een mooie eenheid van stijl, ook al weet Marie Cécile Thijs voor iedere chefkok weer een andere benadering te vinden. Een goede uitwerking van ideeën, bijvoorbeeld bij de Japanse kok met een subtiele rij doperwtjes of die kok met een grote baal (homp?) brooddeeg.  Haar figuren zijn aanraakbaar; doen daarin denken aan fijnschilderkunst.

Interessant in de Grote Kerk vond ik ook de serie van Susanne Reuling, afgestudeerd aan de Fotoakademie. In de serie “Geluksmomenten” laten inwoners van Peru zien waar zij gelukkig van worden…… Alledaagse mensen met alledaagse bezigheden in een voor ons exotisch land. Steeds één persoon in de eigen omgeving. Ingeflitst en de omgeving donkerder gemaakt.Mooie serie, intens van betekenis. Goede beheersing van techniek, goed verhaal en een mooi contact met de geportretteerden. Het ophangen van foto’s aan een verhaal werkt beter dan de portretten van leden van Delta F die buiten de kerk te zien waren. Hoe goed gemaakt ook, je kijkt naar afbeeldingen van onbekenden die niet nader tot je komen.

De foto’s van het driemanschap Vanfleteren-Breukel-Van den Broek konden mij maar voor een deel bekoren. Het leek een willekeurig samenraapsel, vooral door gebruik van allerlei formaten, lijsten en afdruktechnieken en door de presentatie van de foto’s door elkaar heen. De foto’s van Vanfleteren maakten op mij de meeste indruk. Krachtig zwartwit werk met de rauwheid van Jacques Brel: woest, ruig en onopgesmukt.
Joost van den Broek presenteerde vooral portretten gemaakt met midden of grootformaat: verstilde mensen die bewegingsloos voor de camera zitten. Een techniek die inmiddels al door veel fotografen wordt toegepast. In zijn algemeenheid vond ik het werk van deze drie iets waar je geïnteresseerd langs loopt, maar waar je niet lang stil bij blijft staan.

De tentoonstelling van National Geographic vond ik een aanfluiting. Bij de ingang stond het gele kader dat al meer dan een eeuw het tijdschrift siert; het had ook een gele kaart mogen zijn. Wat een ongeïnspireerde presentatie van tamelijk willekeurig gekozen beelden. 10 tot 15 foto’s met een kort bijschrift. Sommige beelden nogal donker en in de expositieruimte niet uitgelicht. Doe iets meer moeite, kies eventueel een thema!

In Kazematten Y onder andere een serie van Flokje van Lith. Kinderstudioportretten die een grote technische beheersing en eenheid van stijl tonen. Een mooie uniforme serie in teruggehouden kleuren. Mooi gestileerd ook (kapsel en kleding naturel maar verzorgd). Maar ik zie geen mensen! Het zijn geen portretten van levende mensen maar een soort poppen. Perfect gedaan maar zonder leven. Ik weet nog niet goed wat ik ervan moet vinden; heel knap gedaan wel.

In de Gele Loods vielen mij de krachtige zwartwit portretten van Karoly Effenberger (freelancer voor o.a. Het Parool) op.

In Bastion Oranje vond ik het werk van Rahi Rezvani interessant. Een heel eigen stijl en eigen beeldverhaal. Maar verder was Bastion Oranje een hapsnap tentoonstelling, met van alles wat. Van de vaginaal obsessieve Hester Scheurwater tot de mooie boksserie van Piek (Annemieke) Kock. Hing er in de Gele Loods niet ook al een serie over boksers?

De serie van Jan Bannink over bureaucraten all over the world is leuk. Vooral de energie en vasthoudendheid die hij in zijn project stopt is lovenswaardig. Maar er waren meer series met een soortgelijke aanpak: een verzameling van portretten binnen één onderwerp. De alzheimerpatiënten van Bas Losekoot bijvoorbeeld vond ik goed gedaan; de serie Nederlandse-soldaten-in-Afghanistan-gefotografeerd-met-een-platencamera kon mij daarentegen niet echt boeien. Natuurlijk krijg je verstilde beelden als iemand 10 seconden stil moet blijven zitten; maar het zijn vooral ook lege gezichten.

Op Fotofestival Naarden was dit jaar veel aandacht voor technische kwaliteit. Dat is wel eens anders geweest. Blijkbaar zijn fotografen en opleidingsinstituten daar meer mee bezig. Nu nog meer op de inhoud kiezen. Naarden staat wat dat betreft in een donkere schaduw van Noorderlicht 2009 en Breda Photo 2010.

Kabinet: maak je eigen museumcollectie

Zou het niet mooi zijn als je in een museum beelden van de hele collectie kunt doorzoeken en van jouw favoriete beelden een hoogwaardige afdruk met toelichtende tekst kunt maken? Die vraag stelde ik mij in 2005, toen ik in een museumwinkel weer eens geen ansichtkaart kon kopen van een kunstwerk dat mij beviel.
Veel werken zijn niet te vinden en dat is niet onlogisch, want een museum kan niet van alle objecten drukwerk in voorraad hebben, en bij tijdelijke exposities is dat probleem misschien nog groter. Met moderne technieken is het echter mogelijk om alle beeld beschikbaar te maken.

Voordeel voor musea: geen voorraad en meer omzet.
Voordeel voor de bezoeker: altijd alle beeld af te drukken, inclusief toelichting.

Ik heb het plan destijds uitgewerkt en heb ook geprobeerd het aan een bedrijf om niet aan te bieden. En nog steeds zou ik het geweldig vinden als een bedrijf dit op zou pakken en er een succes van zou maken. Voorwaarde: het moet wel goed gebeuren en het moet ingang vinden in de belangrijke Europese musea.

Hoe werkt het? Ik stel me voor dat je een mooi vormgegeven herkenbare zuil hebt waar je als bezoeker een keuze uit de aanwezige beelden kunt maken. In die zuil zit een computer, een printer en een betaalsysteem. Alle beeld plus de toelichting op de kunstwerken en informatie over de kunstenaars zit in een database. Je selecteert een beeld en daar wordt een kaart van gemaakt met op de voorkant een afbeelding en op de achterkant informatie over kunstenaar en kunstwerk. Geselecteerde beelden kun je direct printen of door een baliemedewerker laten printen. Fraaie verzamelmappen zijn beschikbaar (bijvoorbeeld in aluminium, hoogwaardig kunststof) om je eigen kunstcollectie in te bewaren; maar je kunt ook een verzamelmapje van het museum krijgen.

Ook afgelopen week liep ik er weer tegenaan: van een paar schilderijen wilde ik een afbeelding, maar die waren noch in de shop noch op de website van het museum verkrijgbaar.
Wie belangstelling heeft om dit idee goed in de markt te zetten neemt maar contact op!

Hans Wilschut: langzamer kijken

Een bijzondere ontmoeting had Fotokring De Liemers met fotograaf Hans Wilschut. Tijdens en na een presentatie van zijn werk hebben we uitgebreid kennis gemaakt met zijn werkwijze, zijn drijfveren en de uitdagingen die hij moet overwinnen om zijn magistrale foto’s te maken.

“Ik wil mensen langzamer laten kijken”, zegt Hans. Daarvoor moet je naar de vergrotende en overtreffende trap van zijn beeld: van overzichtelijk in boeken gepubliceerd, naar veel indrukwekkender in een projectie op behoorlijk groot formaat, tot volledig tot zijn recht komend in een grote afdruk in een museale omgeving. Dan komen alle details die zijn beeld onderbouwen tot hun recht. Dan ga je langzaam kijken, want er is veel te zien, veel te doorgronden.
Wij keken naar met een beamer geprojecteerde beelden: ook al bijzonder indrukwekkend. Hoewel de met een technische camera gemaakte beelden formeel overkomen zijn ze nooi saai. Er zijn altijd elementen die door de formele aanpak heen breken.

Waar ik als hobbyfotograaf in bevestigd ben dat is in het idee dat je werk aan zeggingskracht kan winnen als je uitgaat van een idee. En dat idee moet rijpen.
Binnen de club hebben we het afgelopen jaar gewerkt met een mentor en ik heb als opdracht gekozen om mijn creatieve proces te veranderen. Onder het motto “Slow Photography” heb ik geprobeerd mijn werkwijze te vertragen: ga niet meteen aan het fotograferen maar laat een plek op je inwerken en bedenk tevoren hoe je uit wilt beelden wat die plek met je doet. Leuk om te zien dat Hans Wilschut die benadering ook volgt, maar dan met een paar grote verschillen:
– de kwaliteit van de ‘output’
– de tijd die hij neemt om een idee te laten rijpen: bij mij is dat een kwartier of een half uur, bij hem dagen of zelfs weken

Er is dus nog een flinke ontwikkeling door te maken. Interessant om te horen was ook dat het proces voor hem net zoveel betekent als de uiteindelijke foto’s. Om het in mijn woorden te zeggen: het proces vormt je, laat je in aanraking komen met het onbekende, maakt dat je dingen beter gaat begrijpen, laat je grenzen verleggen, geeft je authentieke ervaringen.

Kijk hier voor een video met Hans op ArtTube

Suggestie van scherpte

Soms kom je op een tentoonstelling die je bewust maakt van iets dat je eigenlijk al wist of had kunnen weten. Die ervaring had ik in museum De Fundatie in Zwolle bij het bekijken van een aantal classicistische portretten uit de collectie van de vorst van Liechtenstein .

Wat mij opviel was dat formele portretschilderingen van 160 tot 170 jaar geleden veel overeenkomsten hebben met hedendaagse formele portretfotografie. Je ziet het in de poses, in de uitlichting en in de selectieve scherpte. In portretfoto’s van nu wordt veel vervaagd en wordt scherpte gelegd in ogen, mond en haar. De classicistische schilderijen laten hetzelfde zien. Van dichtbij is er veel omscherp, wordt veel gesuggereerd, en toch is er de illusie van scherp getekende portretten. Ook in de schilderijen zie je dat ogen, wenkbrauwen en mond gedetaileerd zijn weergegeven en dat is voldoende om ons een goede scherpteindruk te geven. Een bewuste keuze moet het zijn, want bloemstillevens uit dezelfde periode bewijzen dat de kunstenaars het tot in detail realistisch weergeven zeker beheersten.

Poseren en aanlichten van personen gebeurt in het hedendaagse klassieke portret vaak ook nog op dezelfde manier als toen. In halfprofiel of frontaal, licht van de zijkant, achtergrond een beetje aangelicht.

Als voorbeeld vond ik op Internet alleen dit schilderij van Friedrich von Amerling. Er waren betere voorbeelden op de expositie, maar die kon ik niet terugvinden. Jammer, een idee dat ik zes jaar geleden had voor Het Kabinet (database met kunstwerken die je in een museumwinkel kunt uitprinten) zou uitkomst geboden hebben. Dat zal ik binnenkort nog eens uitleggen.