Auteursarchief: Ton

Deutsche Börse: keus voor het (post)moderne

Voor de Deutsche Börse Prize 2012 had ik een voorkeur voor Rinko Kawauchi, dit jaar had ik een voorkeur voor Chris Killip. Beide kandidaten grepen naast de fotografieprijs.

Van Chris Killips werk was ik erg onder de indruk geraakt tijdens een expositie in het Folkwang Museum in het Duitse Essen, in april vorig jaar (zie bespreking). Zijn belangrijkste documentaire werk met de series Seacoal en In Flagrante beslaat een overzichtelijke periode (pakweg 20 jaar) waarin Engeland in een diepe crisis vertoefde. Het was de tijd van Thatcher, met de sluiting van kolenmijnen en met massaontslag gepaard gaande privatiseringen. Killip fotografeerde met een geweldige intensiteit, die hij goed weet over te brengen door zijn betrokkenheid bij het onderwerp, de vertrouwdheid met de mensen die hij portretteert en zijn fabelachtige zwartwittechniek. Door op grootformaat te werken bereikt hij een detaillering die je in zijn foto’s zuigt. Ter illustratie: in Essen werd ik vriendelijk door een suppoost verzocht afstand te houden van de foto’s omdat het alarm al een paar keer was afgegaan. Ik kende Killips werk niet en werd en erg door gegrepen. Vandaar mijn voorkeur voor deze kandidaat van de Deutsche Börse Prize. Killip ging na zijn fameuze series in het noordwesten van Engeland lesgeven en dat heeft er misschien aan bijgedragen dat hij nu minder bekend is. 

De winnaars van Deutsche Börse 2013 zijn Adam Broomberg en Oliver Chanarin. Voor een hedendaagse prijs is dat denk ik wel verdiend. Killip zou een keuze voor het verleden, voor traditie geweest zijn. Broomberg en Chanarin is een keuze voor het nu.
Dit duo timmert al weer twintig jaar samen aan de weg. Ze werkten ooit in een duobaan als creative directors van het blad Colors van Benetton (het bedrijf dat bekend staat om veel controversiële publicaties) en zijn nu vooral bekend van exposities en bijzondere boeken waarin ze fundamenteel onderzoek naar de betekenis van beeld. Dat doen ze op een bijzonder eigentijdse postmoderne manier door enerzijds zelf te fotograferen en anderzijds bestaand materiaal te hergebruiken. 

In het boek War Primer 2 waarmee ze de Deutsche Börse Prize wonnen deden ze het laatste: ze combineerden foto’s uit de tweede wereldoorlog met foto’s  die de War on Terror illustreren. Aan de kijker is het om overeenkomsten en verschillen, betekenissen en waardeoordelen te formuleren. 
Het werk van het duo begeeft zich op andere niveaus dan het formidabele maar traditionelere documentaire fotografie van Chris Killip. Dat werk is directer ook al kent het heel veel dimensies: het gaat net zo goed over sociale verschillen, klassenstrijd, armoede en verveling als over esthetiek, fototechniek, bezieling en diepgaand investeren in menselijke contacten.
War Primer 2 gaat over fundamenteler onderzoek. Het veronderstelt van de kijker een goede kennis van de recente geschiedenis, het kennen van belangrijke beelden uit het publieke domein en het betekenis kunnen geven aan historische momenten. Zonder die achtergrondkennis zijn de beelden van Broomberg en Chanarin niet te duiden. Aan de andere kant: het werk van de twee kan je ook aanzetten tot verdieping in de recente geschiedenis, tot meningsvorming en stellingname. Het vergt een actieve en filosofische instelling van de beschouwer. Daarom gaat het verder dan interessante fotografie en daarom kan ik mij wel vinden in de keuze voor Broomberg en Chanarin boven Chris Killip.

De titel War Primer 2 verwijst naar een publicatie van Bertold Brecht en ook daarmee wordt weer een associatie gecreëerd. Voor meer informatie over de prijswinnende publicatie zie 
War Primer 2 bij MackBooks.

Het boek is niet meer te koop maar een ebook-versie kun je hier downloaden: download War Primer 2.

Voor een interview over hun werkwijze:
interview Time Magazine.

Leonard Freed: Made in Germany op herhaling

In museum Folkwang in het Duitse Essen is tot 1 september een tentoonstelling te zien van Leonard Freed. In 107 foto’s wordt een beeld geschetst van Duitsland rond 1965. De beelden verschenen in 1970 in Freeds boek Made in Germany.

Freed werkt registratief, documentair. Het is niet oordelend en hij probeert geen stelling te betrekken. Hij fotografeert gewone mensen tijdens hun bezigheden. Dat is geen vrolijk beeld, maar wel realistisch: men had niet veel.
De Amerikaanse Magnumfotograaf, die ook enkele jaren vanuit Nederland werkte, raakt in de selectie van zijn foto’s belangrijke thema’s voor zover ze aan de oppervlakte zichtbaar werden. Wat niet aan de oppervlakte zichtbaar is komt ook niet in beeld. Geen onderhuidse spanningen. Je ziet in de na-oorlogstijd meer vrouwen van middelbare leeftijd dan mannen, mannen met missende ledematen, jongeren met de oorlogsonderscheiding van hun vader. Maar het is ook een leven van hard werken en weinig ontspanning. Weergegeven in zwartwit, dat de beelden historisch maakt (het wordt iets van vroeger), maar het leven ook een beetje als kleurloos laat zien.
Het is dezelfde eenvoud die je toen in bondsrepubliek en DDR, maar ook in Nederland en elders zag. Een algemeen westers tijdsbeeld waarin soms typisch Duitse thema’s zoals de worsteling met het oorlogsverleden aan bod komen.
Freed heeft geen flamboyante stijl, er is geen stellingname. Hij werkt in de traditie van andere documentaire fotografen, maar met minder humor dan Doisneau, minder scherpzinnigheid dan Cartier-Bresson. Het woord iconografisch wordt tegenwoordig (te) vaak gebruikt bij de beschrijving van foto’s. Iconografisch is het werk van Freed niet. Het zijn geen beelden die in het gemeenschappelijke geheugen gegrift staan en de tentoonstelling in Essen gaat dat ook niet veranderen. Wel een interessant tijdsbeeld voor wie de moeite wil doen aan de hand van deze foto’s het even in de vijftiger en zestiger jaren te doorgronden. 

De herdruk van het boek Made in Germany kon mij niet bekoren. De beelden in de expositie tonen rijke schakeringen in grijswaarden, in het boek hebben de foto’s de sfeer van de zeventiger jaren met grofkorrelig grafisch zwartwit. Dat is niet zoals Freed zijn foto’s afdrukte en niet het gevoel dat hij ze mee wilde geven.

De series die Fotofestival Naarden maken

Vier series maken voor mij het Fotofestival Naarden 2013 de moeite waard:

  • Ferry Verheij met “Grande Hotel Beira, Mozambique”.
  • Dolph Kessler en “De Noordzee rond”.
  • Piet Mulder met zijn Balinese portretten.
  • Bas Losekoot met zijn “Urban Millennium Project”.
  • De series zijn inhoudelijk consistent, stijlvast, fotografisch goed uitgevoerd en betekenisvol en springen daarom voor mij boven andere inzendingen uit.

       

    De topper was voor mij de in Mozambique gesitueerde serie over een luxe hotel dan in verval raakte en nu door daklozen wordt bewoond. Het is een relevant thema dat door Ferry Verheij in een consequente stijl is uitgewerkt. Alle beelden dragen het patina van het vervallen hotelgebouw waar vaak prachtig zacht licht doorheen valt. De ruimtes worden gevuld met de bewoners die op een natuurlijke manier, vaak tijdens hun bezigheden, in beeld zijn gebracht. De serie laat verval en verwaarlozing zien van de leefomgeving, maar ook een zekere levenslust van de bewoners.

    Dolph Kessler werkte vijf jaar lang aan een serie over de Noordzeekust. Hij investeerde 120 dagen in het project en werkte ervoor in Nederland, Duitsland, Denemarken, Noorwegen,Schotland, Engeland en België. Die grote tijdsinvestering zie je terug in de serie. De beelden zijn informatief maar ook heel afgewogen. Ze geven een divers maar ook standvastig beeld van activiteiten en landschappen langs de kust. Het is nergens afgeraffeld, de keuzes zijn weloverwogen en goed uitgewerkt. Iedere foto informeert en het geheel geeft een prachtig geodocument.

       

    Piet Mulder fungeert in Naarden als side kick: niet op het hoofdfestival maar op één van de nevenlocaties. Hij exposeert zwartwit portretten gemaakt op Bali in een zware, documentaire stijl die herinnert aan de grote reportagefotografen van de 50-er, 60-er en 70-er jaren. Klassieke beelden waarin de fotograaf als estheet en vastlegger duidelijk aanwezig is. Het is een heerlijk contrast met de veelheid aan statische grootformaatcamera-portretten die de laatste jaren de kunstwereld overspoelen.

       

    Bas Losekoot heb ik als vierde aan mijn lijstje toegevoegd. In eerste instantie vond ik zijn aanpak, waarbij hij flitsinstallaties gebruikt in grote wereldsteden, sterk lijken op een aanpak van fotograaf Philip-Lorca di Corcia rond het jaar 2000. Maar ik merkte dat ik zijn beelden steeds meer ging waarderen naarmate ik er vaker langsliep.
    Zijn thema: op 3 mei 2007 woonden wereldwijd voor het eerst meer mensen in de stad dan op het platteland. Losekoot laat in zijn Urban Millennium Project zien hoe het leven in megasteden zich voltrekt. Hij doet dat met gestileerd ogende beelden met voornamelijk upper- en middle class bewoners.

    Die lijken wat onecht, ze zijn vooral als figuranten in de foto’s aanwezig. De foto’s geven daarom ook geen totaalbeeld van het leven in megasteden. Maar ze gaan zoals gezegd wel meer boeien naarmate je ze vaker ziet. Losekoot fotografeerde in New York en Seoul maar wil daar minimaal Shanghai, Mexico en Londen aan toevoegen. Interessant om te zien hoe zich dat gaat ontwikkelen.
    De series zijn nog tot en met 23 juni in Naarden te zien.

    Wolfgang Tillmans: If Everything Matters

    Als je de trap afloopt naar de expositieruimte in museum K21 krijg je de eerste verrassing: pallets vol boeken. Gratis voor de bezoeker aan de overzichtstentoonstelling van Wolfgang Tillmans, een extra exemplaar kost 2 euro. Tillmans speelt met de waarde van zijn werk. Geeft het gratis weg….

    Twee Freischwimmer beelden met een doorkijkje naar heel ander werk.



    Ook in de wijze van exposeren tart hij de verwachtingen van de bezoeker. Foto’s zijn meestal niet ingelijst maar hangen los aan klemmen aan de wanden. Ze worden in allerlei formaten gecombineerd, soms hoog aan de muren bevestigd. En dat wordt weer gecombineerd met beelden die op tafels uitgespreid liggen. Er lijkt een achteloosheid te zitten in zijn presentatie waarmee hij afstand neemt van de conventies van de commerciële kunstwereld.
    En dan zijn onderwerpkeuze. Tillmans heeft een breed blikveld en dat wordt royaal met de bezoekers gedeeld. Zichzelf, leeftijdgenoten geportretteerd in rommelige omgevingen, de sterrenhemel en abstracte beelden worden gecombineerd. Door de veelheid van onderwerpen lijkt hij de hele wereld te willen vatten in zijn fotografie. Maar dan toch vooral zijn eigen wereld: een wereld die een beetje rauw is, onconventioneel, persoonlijk en onopgesmukt.

    In museum K21 in Düsseldorf is tot 7 juli een overzichtstentoonstelling te zien van de 44-jarige Duitser, die in het jaar 2000 als eerste fotograaf en als eerste niet-Brit de fameuze Turner Prize won: de prijs die vaak goed is voor heftige discussies. Ook in Düsseldorf valt er genoeg te bediscussiëren.
    Tillmans laat zich zien als een fotograaf met veel gezichten. Een goed portrettist onder andere, waarbij schijnbaar ongeïnteresseerde houdingen in ongeïnspireerde omgevingen toch heel veel inzicht geven in de geportretteerden. Geen briljante compositie, geen afgewogen belichting maar het lijkt of je het wezen van de mensen kunt voelen.

    Grid met afbeeldingen van overvliegende Concordes.


    Maar Tillmans combineert dan ook weer tientallen kleine foto’s van Concordes in de lucht. Gefotografeerd als een amateur, de vliegtuigen soms op vreemde plekken bijna onopvallend in beeld. Hij etaleert het niet-professionele, de terloopsheid, de ongestileerde werkelijkheid.
    Hij beperkt zich dan weer niet tot het persoonlijke en het alledaagse. Tillmans experimenteert ook driftig met beelden die zonder camera in de doka worden gemaakt, waarmee hij onderzoek doet naar de mogelijkheden van de fotografie. Weer een nieuwe invalshoek! Tillmans geeft nog steeds gehoor aan de titel van een van zijn fotoboeken: “If one thing matters, everything matters”.
    Sommige beelden refereren aan het zeer persoonlijke werk van Nan Goldin. Een foto waarop hij een doorn uit zijn voet trekt verwijst rechtstreeks naar het wereldberoemde Romeinse beeldje dat in het Capitolijns Museum in Rome te zien is. Zo speelt hij met terloopsheid, maar ook met verwijzingen naar de kunsthistorie. Er zit meer achter het werk van Tillmans dan je op grond van wat losse beelden zou vermoeden.

    Wat brengt die veelzijdigheid aan onderwerpen en benaderingen? In K21 zijn de beelden op een fascinerende manier gerangschikt. De beelden die naast elkaar hangen liggen qua onderwerp vaak (net) niet in elkaars verlengde, waardoor je je af gaat vragen waarom ze eigenlijk zo gegroepeerd zijn. De combinaties zijn niet altijd duidelijk of logisch, de samenhang niet altijd benoembaar en de rangschikking is ook anders dan in Stockholm waar de expo eerder te zien was. Dat onderstreept het idee dan je de beelden op verschillende manieren mag combineren en interpreteren.
    Wat heel goed gedaan is in K21: kijk je in de éne zaal naar foto’s, dan krijg je ook beelden mee die in de volgende zaal hangen. De foto’s rijgen zich aaneen tot een continue stroom, die de wereld van Tillmans verbeeldt. Daardoor wordt je in de leefwereld van de Duitse fotograaf gezogen. Dat levert een boeiende ervaring op die eisen stelt aan je interpretatievermogen. Geen gemakkelijke expositie, wel een die je tot nadenken aanzet. Over kijken naar de wereld, over je eigen fotografie, over je eigen zijn. Over de belangrijkheid van dingen. If anything matters….


     

    Gursky overtuigt

    Meteen bij binnenkomst al die ambivalentie: die foto van de Klausenpass, een vakantiefoto met als enige bijzonderheid de groepering van personen in het landschap. Daarnaast een witte streep in donker water uit Bangkok. Op internet en op de poster van de tentoonstelling lijkt deze weerspiegeling een vrij gewoon plaatje, maar sta je voor deze immense afbeelding dan zie je abstracte structuren, een slipper in het water, een tijdschrift, een dode vogel. Steeds meer komt er naar voren uit het zwarte water. En het water is niet egaal zwart, maar is mooi gemêleerd in zwart en bruinachtig donkergrijs. Oh, daar drijft nog een waterhyacinth, en wat is dat daar helemaal bovenaan…. je zou een trapje willen om de bovenkant van de foto goed te kunnen bestuderen.

    Klausenpass

       

    Bangkok II

    In Museum Kunstpalast in Düsseldorf wordt tot 13 januari 2013 een overzichtstentoonstelling gehouden van Andreas Gursky. Een aantal erg bekende werken van hem is er te zien, naast nieuw werk. Meestal in superformaten, tot ruim drie meter hoog.
    De Chicago Board of Trade is een van de klassiekers; veel indrukwekkender dan ik had verwacht. Wat een mensenmassa en wat een veelheid aan taferelen zijn in deze foto geperst. Het moet wel gemonteerd zijn uit meerdere beelden zo druk is het in deze foto, wel heel knap! Bij de aanblik van de scène op de handelsvloer vraag je je af of het wel goed kan gaan als de wereldhandel zó georganiseerd is.

    Op de expositie is de ontwikkeling die Gursky heeft doorgemaakt goed te zien. De enorme detailrijkdom in het latere werk is verbluffend. De vluchtborden op de luchthaven van Frankfurt zijn zo gestoken scherp als je ze zelf nooit kunt waarnemen. Wat een verschil als je het vergelijkt met de foto van het fornuis met de brandende gaspitten uit 1980. Maar ook in de onderwerpkeuze en fotografische orthodoxie is een ontwikkeling te zien, In het begin van zijn loopbaan maakt hij streng gefotografeerde registraties met het kenmerkende neutrale standpunt en neutrale licht, later past hij veel digitale bewerking toe om tot een eindresultaat te komen.

    Niet ieder beeld op deze tentoonstelling spreekt mij aan. Er is bijvoorbeeld een zeer gedetailleerde afbeelding van een berghelling met wielrenners, volgers, en toeschouwers in de Tour de France en die simpel aandoet. De aspergestekers (Beelitz, 2007) zijn dan weer geraffineerd. Je denkt in eerste instantie een soort luxaflex te zien, maar dan herken je ineens dat je naar recht van boven gefotografeerde aspergestekers kijkt.
    Is de duurste foto ooit (Rhein II) het geld waard? Ook dat kun je hier beoordelen. De foto is in een klein formaat te zien maar het kost niet veel moeite om je die op groot formaat voor te stellen. Nee, het blijft saaiheid in horizontale groene en grijze lagen. Net als de foto met de veelbelovende titel Prada die een lege vitrine toont.

    De Bangkok serie overtreft voor mij persoonlijk al het andere werk. De schakeringen in het zwart, wat zijn ze mooi. Ze geven de beelden een fluwelige gloed. Wat een beeldrijkdom heeft een foto als Bangkok II, dat zijn 100 goede foto’s in één beeld: prachtige artdeco-lijnen, groteske figuren en vreemde vormen, afgewisseld met realistisch afval, met het water als bindende factor. Gursky heeft (soms) nadrukkelijk met de grootte van voorwerpen gespeeld: een autoband is bijna even groot als een colafles. Het zet je op het denkspoor naar wat echt en wat gemanipuleerd is.

    Dat brengt ons weer bij de ambivalentie in het werk van Gursky. Soms streng realistisch en saai, soms realistisch en overtuigend, soms poëtisch. Altijd met een goede beheersing van techniek. En als hij op zijn best is, zoals bij de Bangkok-serie, dan werkt het supergrote formaat enorm goed en laat het je dingen ontdekken die op een kleiner formaat niet te zien zijn.
    Op naar Düsseldorf dus voor het echte werk.

    De kracht van Co Rentmeester

    Retrospectief Footprints geeft beeld van internationaal topfotograaf

    Power. Co Rentmeester is heel stellig: power kenmerkt zijn fotografie.
    Het gaat om energie, kracht en dynamiek. Het uit zich niet alleen in de beweging van sport maar ook gewoon in een indringend beeld van een gezicht. De grote vorm van een lichaam. Een compositie waar bepaalde vormen door de foto heen schieten. Het kenmerkt alle genres die hij in zijn 40-jarige loopbaan heeft beoefend.

    Co Rentmeester bij zijn geliefde Bosbaan in Amsterdam.

    Ik spreek Rentmeester bij de Bosbaan in Amsterdam, de favoriete plek van de oud-Olympisch roeier. Aanleiding is het kloeke boek Footprints waarin het oeuvre van Rentmeester is samengevat. De fotograaf is een beetje teleurgesteld als ik het alleen maar kloek noem. Ik stel hem gerust: het is een uitgebreid verslag van het werk van een geweldige reportagefotograaf. Werk dat nog steeds modern oogt, grote zeggingskracht heeft, betrokkenheid en nabijheid toont en qua onderwerpkeuze en benadering ook vandaag nog gemaakt kan zijn. Daarbij geeft de tekst in het boek een fantastische beschrijving van de uitdagingen en de inventiviteit van deze fotograaf.

    Een paar feiten over Rentmeester. Hij was van 1966 tot 1972 staffotograaf van het toonaangevende blad Life Magazine. Won in 1967 World Press Photo en is nog steeds de enige Nederlander die dat gelukt is. Raakte gewond in Vietnam, richtte zich daarna onder andere op natuurfotografie, reizen, sport en commercieel werk. Werkte voor grote tijdschriften (naast Life Magazine ook National Geographic, Stern, Paris Match, Sports Illustrated, New York Times Magazine) en grote bedrijven. Kreeg in 2001 de Paul Huf Award voor zijn oeuvre. Is zijn hele leven ook begenadigd roeier geweest. Was meerdere keren Nederlans kampioen, roeide in1960 tijdens de Olympische Spelen in Rome en is ook nu nog, op 76-jarige leeftijd, actief als roeicoach. Zo’n tweemaal per jaar komt de op Long Island bij New York wonende Rentmeester naar Nederland,vooral voor zijn favoriete sport.

    Het eerste contact tussen ons dateert van februari dit jaar. In een email leg ik aan Rentmeester voor dat er weinig werk van hem verkrijgbaar is. Alleen antiquarische uitgaven van een reisverslag over Indonesië en een boek over Hollanders en ijspret. Ik noem hem de most neglected and underestimated Dutch news photographer. Nauwelijks bekend in eigen land, maar met een indrukwekkend internationaal repertoire. Voor Rentmeester is dit een gevoelig punt waar hij niet veel over gezegd wil hebben. Het is duidelijk dat hij zich door een deel van de Nederlandse fotowereld niet erkend voelt. Wel hoopt hij dat Footprints hem die erkenning alsnog zal geven.

    Tien jaar geleden stopte hij met fotograferen. Sinds die tijd leeft het idee voor een retrospectief maar de realisatie bleek niet eenvoudig. “Johan wilde niet stoppen” is de bondige verklaring van Rentmeester voor het feit dat het boek er toch gekomen is. Hij doelt op Johan ten Berg, roeivriend, jurist en fotoliefhebber die het idee van het boek levend hield ondanks tegenslagen, waaronder problemen om de uitgave gefinancierd te krijgen.
    Het moest een bijzonder boek worden. Rentmeester: “Ik wilde geen fotoboek publiceren waarin ik gewoon chronologisch van de jaren zestig tot 2005 alle mooie foto’s op een rij zet met een bijschriftje erbij. Het moest anders worden, dat bleek al bij onze eerste conversaties. Het moest diepte hebben. Het was moeilijk daarvoor een schrijver te vinden”. Het is vooral het werk van Johan ten Berg en uitgever Marloes Waanders dat Hans Rooseboom, conservator fotografie van het Rijksmuseum, daarvoor is gevonden.

    Footprints laat de diverse richtingen zien waarin Rentmeester zich begeven heeft, waarbij de nadruk ligt op het werk voor Life Magazine. De carrière van Rentmeester kent ogenschijnlijk scherpe wendingen, van oorlogsfotografie naar natuur, naar reizen en sport en uiteindelijk naar overwegend commercieel werk. Hij zegt die breekpunten niet zelf opgezocht te hebben. Ze vallen samen met belangrijke gebeurtenissen in zijn leven.

    Het begon toen hij in 1966 als 30-jarige als staffotograaf in dienst kwam van Life Magazine. “Ik zat ineens midden tussen hele beroemde fotografen. Alfred Eisenstaedt, Elliot Erwitt, George Silk: hele grote mensen, de elite van de fotojournalistiek. Daar moest ik dus mee concurreren als jonge jongen. En men verwacht dan dat je achter de brandweerauto’s aan gaat draven. Ik moest een richting kiezen. Toen heb ik dus tweeëneenhalf jaar doorgebracht in Vietnam”.
    Hij maakte er indrukwekkende reportages. In 1967 werd hij in zijn linkerhand geschoten, moest veel operaties ondergaan, wist niet of hij nog als fotograaf zou kunnen werken. Kreeg er ook nog malaria bij. Zijn editor stelde een sabbatical voor, met misschien een opleiding tot documentairemaker. Rentmeester wilde echter proberen of hij zijn werk kon hervatten; vocht zich terug met een nieuw onderwerp: de dierenwereld en had succes. “Niets is beter dan succes” zegt hij nuchter.

    De volgende wending kwam eind 1972 toen Life Magazine ermee ophield: “De hele staf inclusief Co Rentmeester stond op straat. Als jonge vader met een tweeling van twee jaar oud en een grote hypotheek. Ik ben toen als freelancer verder gegaan”.
    Geleidelijk veranderde de verhouding van 70 % redactioneel en 30 % commercieel werk naar 90 % commercieel. “Mijn kinderen gingen naar de universiteit. Het was toen ook een economisch besluit om mijn fotografie te richten op meer lucratieve … hoe zal ik dat zeggen: op betere inkomsten”.
    Maar ook onder het commerciële werk staat duidelijk de signatuur van de inventieve reportagefotograaf: “Uiteraard koos ik klanten op basis van mijn stijl. Voor Exxon zit je dus niet op een kantoor ergens een paar computers te fotograferen. Nee, je zit op boortorens op de Noordzee. Avontuurlijk. Woeste golven. Prachtig licht. Schitterende beelden”. Ook de Marlboro-campagne waar hij in de tachtiger en negentiger jaren aan werkte leverde spectaculair documentair beeld op.

    Ik vraag of hij van het begin af aan een internationale carrière heeft nagestreefd, omdat hij na zijn Olympische deelname in 1960 naar Amerika ging voor zijn fotografieopleiding. Maar ook dit is weer zo’n gebeurtenis die hem overkwam. “Ik ging naar Amerika omdat ik een aanbod had voor een job als executive in de houthandel. In zes tot acht maanden zou ik de beginselen leren maar binnen drie maanden zag ik het niet meer zitten”. Hij hield zijn conditie bij met hardlopen en op het sportterrein van de plaatselijke high school werd hij door de principal aangesproken. Die zette hem op het spoor van het Art Center College of Design in Los Angeles waar hij in 1965 zijn bachelor fotografie behaalde.

    In ons gesprek zal de periode bij Life Magazine overheersen: “Het was het paradijs”. In het begin werd hij vooral gebriefd door redacteuren en moest hij hun verhaal verbeelden. Al snel kreeg hij meer vrijheid om zijn eigen verbeelding te laten werken. Een van de hoogtepunten was een pre-Olympisch essay in het voorjaar van 1972 waarvoor de oud-topsporter negen atleten moest fotograferen voor een reportage van 18 pagina’s. Het leverde onder andere de foto van Mark Spitz op waarmee hij bij World Press Photo dat jaar de categorie Sport won. Rentmeester vertelt smakeljk wat hij voor deze foto moest doen. Hij stond met een speciale camera op statief in het bad. Voor een andere opname huurde hij een rolstoel en liet zich daarin door een assistant langs het zwembad rijden terwijl Spitz zijn baantjes trok. Dat gaf hem de gelegenheid gelijk op te gaan met de zwemmer en een reeks foto’s te maken.

    De vrijheid die hij van de redactie kreeg was groot: “Je moest je eigen voorbereidingen doen. Alleen als je echt heel bijzondere onkosten had dan moest je opbellen. Ik was een maand aan het werk en niemand viel me lastig, niemand vroeg: wat ben je nu aan het doen? Zo lang het maar geen wilde ideeën waren kon ik zelfs een vliegtuig charteren als het nodig was”
    “Je neemt dus de tijd, je zet het beeld in elkaar. Voordat je die atleten benadert neem je de opname door met een assistant om te kijken hoe het er uit ziet. Hoe het licht is. Zit ik wel op het goede pad?”.
    Talloos zijn de anecdotes. “Op een gegeven moment willen we fotograferen hoe een F14 Tomcat een nucleair vliegdekschip benadert. Op de staart van het gevechtsvliegtuig willen we een camera bevestigen. Dat is een hele dure zaak want we moesten een modificatie aanbrengen aan een vliegtuig waarvoor toestemming van de luchtvaartautoriteiten nodig was”. Het levert nog wel een probleem op met de ontstane wrijving: “Die jongens komen dus supersonic aanvliegen. Ik kan het me nog herinneren, ik had een 20 mm lens. Verbrand. Nou, niet echt verband maar het glas was bijna gesmolten. En dan had je dus vier camera’s bij je en drie waren er kapot dus ik had er nog maar één over. Dat was toen baanbrekend”.
    “Ik heb altijd zo gewerkt. Ik probeerde dus altijd de randjes van de techniek op te zoeken. Je probeert de mogelijkheden van de fotografie een klein beetje verder te duwen. Meer gevanceerd. Betere, snellere lenzen. En ander gebruik van film. Duurdere film”.

    Het vooraf uitwerken van een idee en nauwkeurige voorbereiding is heel belangrijk voor Rentmeester. Footprints toont veel sterk uitgewerkte concepten.
    “Bij iedere foto die ik moet maken, zit ik te denken: hoe zie ik dat in mijn hoofd, wat kan ik daarmee doen”. Ik stel dat hij zich niet snel onvoorbereid in een onbekende situatie zal begeven. “Ja, wáár je kunt bereid je je voor! In een hoop gevallen kun je dat niet en dan moet je meteen onmiddelijk reageren. Wanneer een schietpartij begint of een bombardement dan moet je gewoon echt, echt heel snel zijn”.

    In Vietnam bevestigt Rentmeester bijvoorbeeld een camera met afstandsbediening in een brandstoftank van een bommenwerper, om een foto te maken op het moment dat het bommenluik opengaat. De opname mislukt, hij modificeert en stijgt met de eerstvolgende vlucht weer op. “Daar was ik erg mee bezig. Hoe kan ik een interessant beeld maken. 70.000 pond bommen die uit dat toestel kwamen. Hoe kon ik dat dramatisch laten zien?”

    Een andere anecdote gaat over het fotograferen van een miljoen ééndollarbiljetten. Dat werd een stapel met een grondvlak van 1,25 bij 1,25 meter, vier meter hoog. Voordat hij bij de Federal Reserve in Dallas zijn miljoen biljetten mocht gebruiken had hij alles thuis uitgekiend.
    Het zijn mooie verhalen, maar Rentmeester alleen maar typeren als technisch vernuft zou hem tekort doen. Hij laat bijvoorbeeld in zijn reisreportages zien dat hij met sobere middelen kan werken en een enorm gevoel van nabijheid kan creëren.

    Ik vraag hem wat zijn drijfveer was, foto’s met veel impact maken of zijn collega’s de loef afsteken. Rentmeester: “Beide. Ik wilde altijd iets anders presenteren dan mijn collega’s. De competitie was voor mij erg belangrijk. Niets gaf mij meer vreugde dan dat ik een betere foto had dan mijn collega’s.

    Met zijn gerenommeerde collega’s had hij een goede professionele verstandhouding. “Maar het was heel duidelijk: ik werkte voor mezelf. En ik deed ook geheimzinnig over wat ik aan het doen was. Je gaat niet naar je collega’s om een foto te laten zien . Het moment dat je met je fotografie naar de editor gaat, dát is het moment. Maar iedereen deed hetzelfde, zij lieten hun foto’s ook niet aan mij zien”. Toch was er geen sprake van grote rivaliteit. Als het tijdschrift uitkwam waren er complimenten over en weer.

    Niet alle opdrachten bevielen hem. “De managing editor of de assistant managing editor van Life Magazine heeft mij een keer gevraagd of ik naar het White House wilde gaan om de Nixon familie te fotograferen. Dat was bij het huwelijk van zijn dochter Tricia. Wat ik met ontzettende tegenzin heb gedaan. En toen kwam ik terug met die foto’s en ik had al mijn collega’s als een kudde daar in de Rose Garden achter een touwtje zien staan met hun camera. Nooit meer, heb ik toen gezegd. Je kunt me overal naar toe sturen, nooit meer daar naar toe”.

    Er is geen twijfel als ik vraag met welke fotografen hij verwantschap voelt: “Irving Penn. Nou, dat werd mijn god. En het is nog steeds mijn god. Er is geen fotograaf die beter heeft kunnen laten zien wat fotografie waard is. Niet alleen in zijn schitterende still lifes, maar ook in de fantastische fashion fotografie die hij heeft gedaan voor Vogue“.
    Ik vraag hem naar reportagefotografe en krijg drie namen: Eugene Smith, Grey Villet en George Silk.
    Terug naar Footprints. We komen te spreken over de vormgever, die ook het standaardwerk Dutch Eyes heeft ontworpen: een overzicht van de Nederlandse fotografie waarin beeld van de World Press winnaar ontbreekt. Het zit hem wel dwars, maar hij praat er niet graag over. “Ik hoor er niet bij. Ik ben misschien te Amerikaans. Ze weten niet wat ze met mij aan moeten”.

    Wat kunnen we nog verwachten van Co Rentmeester? “Film. Ik wil nog graag wat filmwerk doen. De Perfecte Haal, de dvd uit 2006, daar ben ik eigenlijk wel trots op. Dat is de eerste documentaire film die ik gemaakt heb. Daar kun je de stijl van mijn fotografie in herkennen”.

    Expositie Kunstkring

    Op de zondagen van november 2012 exposeer ik met zes andere fotografen op verzoek van Kunstkring Het Gelders Eiland in de Hervormde kerk van Aerdt. Een jaar lang hebben we De Liemers gefotografeerd, ieder op onze eigen manier. Mijn foto’s zijn geïnspireerd op het werk van fotografen die ‘topographers’ worden genoemd: beeldmakers die het bijzondere van een bepaalde plaats weergeven. Zij kiezen vaak voor een neutrale manier van afbeelden, waarbij een oordeel over de plaats aan de beschouwer wordt gelaten. Neutraal kun je daarbij lezen als objectief, registrerend, zonder dramatiek en met een vrij neutrale belichting.

    Een van de bekendste fotografen op dit gebied is Stephen Shore. Een Amerikaan die in de zeventiger jaren in kleur en op grootformaat ging fotograferen. Dat was een bijzondere stap omdat kunstfotografen toen nog overwegend in zwartwit werkten. Shores boek ‘Uncommon places’ heeft internationaal grote invloed gehad, onder andere op de groep fotografen die bekend staat als de ‘Düsseldorfse School’.

    Bij mijn interpretatie van De Liemers heb ik gezocht naar aspecten in het landschap die mij bijzonder opvielen. In eerste instantie was dat de combinatie van natuurlijk landschap en infrastructuur (bedrijven, wegen, bruggen). Na verschillende invalshoeken te hebben verkend heb ik gekozen voor beelden langs de snelwegen die De Liemers doorsnijden.
    Iedere dag passeren duizenden mensen de regio via de A12 en A18, vaak niet meer ziend dan asfalt, vangrails, verkeerssignaleringsportalen en medeweggebruikers. Kijk je daarentegen vanuit het omliggende gebied naar diezelfde snelwegen dan krijg je een ander beeld.
    Stephen Shore spreekt over vastleggen hoe de wereld er uit ziet als je die (zoals fotografen doen) beschouwt in een verhoogde staat van bewustzijn. Door heel goed te kijken naar ogenschijnlijk triviale maar toch interessante plaatsen probeer ik een ander beeld te laten zien.

    Kleurrijke geschiedenis

    Time brengt deze week een bijzonder project onder de aandacht. De uitgever gaf de Zweedse Sanna Dullaway opdracht een aantal foto’s van president Lincoln in te kleuren. Historische personen worden door deze techniek naar onze tijd getrokken. Ze worden neergezet als mensen die nu ook zouden kunnen leven, geen “primitieven” uit vroeger tijden. Klik hier voor de voorbeelden van Time.

    Dullaway is met inkleuren bezig vanaf 2011 toen zij een foto uit de vijftiger jaren onderhanden nam van een boeddhistische monnik die zichzelf in brand gestoken heeft. De kleurenfoto werkt ontegenzeggelijk sterker dan de zwartwitversie, is dramatischer en benadert het echte leven. Het opent wel de discussie over eigenaarschap en auteurschap. Daar komt historische authenticiteit nog bij.


    De voor Time ingekleurde foto’s van Lincoln zijn overtuigend. Ze brengen de geschiedenis dichterbij; een beetje zoals re-enacters doen als ze historische gebeurtenissen naspelen. Op de foto’s die Dullaway bewerkte zijn de fotografisch vastgelegde personen (in tegenstelling tot re-enacters) wel echt, maar door de stand van de techniek rond 1870 (traag materiaal, lange sluitertijden) moesten situaties wel worden nagespeeld of er werd gekozen voor statische taferelen waar de afgebeelde personen lange tijd stilstonden.

    Dullaway bewerkte ook ikonen uit de depressie van de jaren 30 van Dorothea Lange en Margaret Bourke-White. Ingekleurd zijn ze heel geloofwaardig, maar mag je dat doen? En als je van deze beelden af moet blijven omdat ze onderdeel zijn geworden van de geschiedenis, mag je dan wel de foto’s die Mathew Brady en Roger Fenton van de Amerikaanse burgeroorlog maakten veranderen? En als je toch gaat kleuren, waarom dan foto’s van Ansel Adams en Edward Weston niet inkleuren om ze dichter bij de natuur te brengen?

    Ik denk dat het gaat om de intentie. De intentie van de fotograaf die het oorspronkelijke beeld maakte en de intentie waarmee het inkleuren gedaan wordt.
    Een fotograaf die de intentie had een subliem zwartwitbeeld te maken (Adams, Weston) heeft duidelijk voor dat medium gekozen. Van die beelden zou je af moeten blijven. Inkleuren om de geschiedenis tastbaar te maken zou toegestaan moeten zijn als je daar open over bent. Het inkleuren van historisch beeld en pretenderen dat je een eigen uniek kunstwerk hebt gemaakt lijkt mij uit den boze.

    Mismaakt landschap in beeld

    Tot 12 oktober exposeer ik in het Congrescentrum in Drachten foto’s in de groepsexpositie Het Mismaakte Landschap die gelijktijdig met Noorderlicht wordt gehouden.
    Mijn foto’s zijn geïnspireerd op het werk van fotografen die “topographers” worden genoemd; mensen die het bijzondere van een bepaalde plaats weergeven. Dat gebeurt vaak op een neutrale manier, waarbij een oordeel over de plaats aan de beschouwer wordt gelaten. Neutraal kun je lezen als objectief, registrerend, zonder dramatiek en met een vrij neutrale belichting.



     
    Een van de bekendste fotografen op dit gebied is Stephen Shore. Deze Amerikaan begon in de zeventiger jaren in kleur en op grootformaat te fotograferen. Dat was een bijzondere combinatie omdat kunstfotografen toen nog overwegend in zwartwit fotografeerden. Shores boek ‘Uncommon places’ heeft internationaal grote invloed gehad.

     



     
    Mijn bijdrage aan Het Mismaakte Landschap bestaat uit vijf foto’s (van een grotere serie) waarop bedrijfsterreinen afgebeeld zijn. De ontwikkeling is daar zichtbaar tot stilstand gekomen en de natuur (of wat daarvoor doorgaat) neemt het langzaam weer over. Stephen Shore zegt dat fotografen kijken in een verhoogde staat van bewustzijn. Dat geldt ook voor de beschouwer: wil je mijn foto’s goed ervaren dan moet je goed kijken. Bij oppervlakkige beschouwing lijken het heel gewone foto’s, kijk je intenser dan zie je interessante details die verder reiken dan de platte afbeelding. Ik hoop dat je hierdoor zelf ook bewuster naar je omgeving gaat kijken.

    Dit jaar werk ik (in een groep van zeven fotografen) ook aan een interpretatie van de Liemers. Daarmee gaan we in november exposeren voor de Kunstkring Het Gelders Eiland. Ook in dat werk is de invloed van topographers zichtbaar. In het werk dat ik voor die expositie heb gemaakt kijk je op een andere manier naar de snelwegen (A12 en A18) die het gebied doorsnijden. Ik kan mij bijvoorbeeld verbazen over reclameborden die op een kluitje in een weiland staan, over de grens tussen platteland en autosnelweg, over een oprit naar de A12 waarbij een vangrail lijkt op een ladder. Die bijzondere kijk probeer ik over te brengen.

    Het kleine en gewone van Rinko Kawauchi

    Summer school 2012 van Fotokring De Liemers had de Japanse fotografe Rinko Kawauchi als onderwerp. Een interessante fotografe omdat zij veel waardering oogst in de kunstwereld, maar haar werk niet aansluit op gebruikelijke thema’s van hobbyfotografen. Dat geeft ruimte voor vragen als: waarom oogst zij zoveel waarding, zie ik die kwaliteiten ook, hoe benadert zij haar onderwerp en zou ik dat ook kunnen, heeft presentatie invloed op het ervaren van haar werk.

    Kawauchi werkt zoals veel Japanse fotografen met een boek als eindresultaat. Dat is anders dan in de Westerse wereld waar een expositie in een galerie vaak het doel is. Rinko Kawauchi (geboren in 1972) debuteerde in 2001 met drie boeken ineens, waarmee zij direct haar naam vestigde. Het aantal boeken dat zij publiceerde is het dozijn inmiddels gepasseerd.

    De eerste avond hebben we drie opdrachten behandeld naar aanleiding van een huiswerkopdracht:

  • selecteer beelden zoals Rinko het doet
  • welke van Tom Meermans “duizend woorden” is van toepassing op het werk
  • lees het essay van David Chandler in het boek Illuminance
  • Tijdens de summer school varieerde het enthousiasme voor Rinko’s werk van ‘geweldig’ tot ‘onbegrijpelijk’. We waren het er wel over eens dat sommige foto’s wel heel erg simpel en soms technisch mislukt lijken. En bijna iedereen was er van overtuigd dat presentatie in een serie (zoals in het boek Illuminance) veel waarde toevoegt.
    De woorden ‘Japans’ en ‘vrouwelijk’ vielen ook. Waarom de foto’s vrouwelijk zijn konden we niet scherp benoemen, maar onderwerpkeuze en gebruik van zachte tinten droegen daaraan bij.
    Bij de vraag waarom het Japans is werd genoemd: het is geconcentreerd, aandacht voor het kleine, uitdiepen, precies willen weten, puurheid, pure waarneming.

    Aan het eind van de avond hebben we een opdracht geformuleerd:
    Maak een serie (vijf foto’s, meer mag) op de manier van Rinko Kawauchi met het thema “Het kleine en het gewone”. Houdt deze begrippen in je achterhoofd: geconcentreerd, aandacht voor het kleine, uitdiepen, precies willen weten, puurheid, pure waarneming.

    De resultaten hebben we de tweede avond besproken. Ik heb met mijn foto’s een boek gemaakt omdat Rinko ook het boek als uitingsvorm kiest. Het is te bekijken bij Blurb: Als Rinko